Trips wetenschappen

Trips in anthurium en phalaenopsis
Al heel veel jaren komt in de teelt van anthurium trips voor in het gewas. Niet zelden was trips een groot probleem in deze teelt. Tegenwoordig worden er goede resultaten bereikt in het bestrijden van trips. Met name ook vanwege de inzet van biologische middelen en natuurlijke vijanden. Toch blijft het een probleem en worden telers nog te vaak verrast met de toename van trips en ervaren zij moeilijkheden in het onder controle houden van de tripsdruk.

In alle landen van de wereld komt in de teelt van phalaenopsis trips steeds vaker voor. Ook in deze teelt is er regelmatig sprake van opbrengstderving vanwege schade veroorzaakt door trips.

In beide teelten komen daarnaast steeds meer verschillende tripsen voor. Elke trips heeft een eigen levenswijze en habitat en kan een compleet ander schadebeeld geven. Ook de mate van schade die een tripssoort kan veroorzaken, is verschillend.

In dit artikel willen we de aandacht vestigen op de verschillende tripssoorten die voorkomen. Het doel is om deze vijand beter te leren kennen en daardoor ook sneller en adequater te kunnen reageren. Vaak heeft de bestrijding die wordt ingezet (biologisch) of uitgevoerd (chemisch) ook een veel beter effect als er meer kennis over de trips aanwezig is.

Trips ontdekken (scouten)
Voor een goede bestrijding en om toenemende schade te voorkomen is het belangrijk dat de trips snel ontdekt wordt. Ontdekken begint bij zoeken: we noemen dit scouten op het voorkomen van trips. Dit kost tijd en geeft arbeidskosten. Helaas is het scouten in de genoemde teelten hier een onontbeerlijk onderdeel van. Om schade aan het gewas te voorkomen of te beperken is scouten minimaal 1 keer per week noodzakelijk. Door het scouten wordt er ook kennis opgebouwd. Een eerste keer is het lastig, maar bij ervaring wordt tripsschade sneller herkend en vaak is dan ook goed te zien om welke trips het gaat.

Voorkeur
Een gegeven is dat tripsen voorkeur hebben voor bepaalde soorten bloemen en planten (variëteiten). Zowel in anthurium als in phalaenopsis komt trips het meest voor in soorten met witte bloemen. Er zijn vaak ook specifieke soorten aan te wijzen die in de kas een waardplant blijken te zijn voor trips. Met scouten kan dit ook een hulpmiddel zijn. Controleer eerst deze ‘gevoelige soorten’.

Oorsprong
Het is belangrijk om te achterhalen waar de trips vandaan komt. Probeer te achterhalen welke tripsproblemen naastgelegen bedrijven (groenteteelt, andere orchideeën, buitenteelt van graan of mais) hebben gedurende het jaar. Het komt regelmatig voor dat tripsdruk in de kas toeneemt wanneer het oogsttijd is bij naastgelegen bedrijven of wanneer er veel gelucht moet worden. Wees extra alert om trips te voorkomen wanneer bekend is welke tripssoorten aanwezig kunnen zijn in de teelt van buurbedrijven.

Een toename van trips in het voorjaar heeft vaak te maken met de overwintering van tripspoppen in de eigen kas (teelt). Daarom is het zo belangrijk om in het najaar de bestrijding goed uit te voeren. Voorkomen moet worden dat in deze maanden tripsen hun poppen afzetten in het substraat.

Belang van herkenning en determinatie
Over het algemeen is er steeds meer kennis van de bestrijding van trips. Het is belangrijk om te weten welke trips (of soorten trips) er in de kas gevonden worden. De redenen hiervoor zijn:

  • Tijdstip dat trips actief is;
  • Gevoeligheid van trips voor bepaalde werking van bestrijdingsmiddelen;
  • Gedrag en verspreiding;
  • Plaats van ei-afzetting of verpopping;
  • Invlieg in bepaalde jaargetijde;
  • Levenscyclus.

Deze informatie is met name nodig om het juiste middel te kiezen wanneer er chemisch ingegrepen moet worden. De meeste tripsen verpoppen in het substraat. Maar als de trips op het blad verpopt (Trips setosus), kan dit betekenen dat ingieten van aaltjes of uitzetten van bodemroofmijten minder effect heeft.

Schadebeeld
Welke tripssoort voorkomt als plaag is vaak ook te herkennen aan het schadebeeld. In de phalaenopsisteelt kan de orchideetrips grove schade veroorzaken terwijl de Californische trips meer schade kan veroorzaken, maar vaak wat minder grof is. Zilverkleurige vlekken op het blad duiden vaak op de aanwezigheid van Echinotrips.

Ei-kraters
Een wat onbekend kenmerk voor aanwezigheid van trips in anthurium is de kans op aanwezigheid van ei-kraters in de bloemen. Verschillende tripsen hebben hun ei-afzetting in de bladeren of bloemen. Wanneer eieren worden afgezet in de opperhuid van de bloemen (anthurium) is dit vaak te zien aan de ei-kraters die achterblijven, nadat het ei is uitgekomen. Soms zijn ei-kraters eerder te zien dan schade in bladeren.

Virus
In de phalaenopsisteelt is naast tripsschade ook kans op verspreiding van een virus door trips. De meest voorkomende virussen zijn dan TSWV (Tomato spotted wilt virus) en INSV (Impatiens necrotic spot virus).

Biologische bestrijding
Biologische bestrijding van trips is niet eenvoudig. Meestal is er een combinatie van middelen en maatregelen nodig om trips optimaal biologisch te bestrijden. Voor trips zijn er redelijk veel biologische producten beschikbaar.
Denk hierbij aan onder andere:

  • Vangplaten: met behulp van vangplaten kunnen volwassen trips worden gevangen. Het gebruik van vangplaten levert ook een tijdig signaal op over de aanwezigheid van de plaag. Mogelijk kan de druk van trips verlaagd worden met de inzet van grote aantallen vangplaten;
  • Insectengaas: veel anthurium telers hebben insectengaas onder de luchtramen of als bescherming voor de padwand. Bij grote tripsdruk van buiten, in gebieden met buitenteelten waar veel trips in voorkomt, is insectengaas een uitkomst;
  • Bodemroofmijt: er zijn verschillende bodemroofmijten die vooral ingezet worden tegen bestrijding van de trips poppen;
  • Roofmijten: er worden roofmijten zoals Amblyseius cucumeris en swirksii ingezet (ingeblazen) zodat er een grote populatie opgebouwd kan worden;
  • Roofwantsen: Roofwantsen (zie foto) ;
  • Rooftripsen: zowel larven als volwassen rooftripsen zijn actief als rovers. Ze zoeken zeer actief naar een prooi, die bestaat uit larven en volwassen stadia van schadelijke tripsen en zuigen deze leeg;
  • Sluipwespen: sluipwespen parasiteren (jonge) larven;
  • Insect parasitaire aaltjes: regelmatig (wekelijks) ingieten van aaltjes (nematoden) heeft in de anthuriumteelt een groot effect en boekt veel succes. In de phalaenopsisteelt heeft aaltjes ingieten nog weinig effect vanwege de open structuur van het substraat.;
  • Middelen op basis van plantextracten of op basis van natuurlijke middelen zoals Neem Azal. Deze middelen zijn biologisch maar kunnen wel giftig zijn;
  • Middelen die de plantweerbaarheid vergroten.

    Het is belangrijk om bij gebruik van chemische middelen het effect op de biologische vijanden te weten. Sommige middelen hebben een lange nawerking op natuurlijke vijanden. De neveneffectenlijsten van de verschillende fabrikanten en toeleveranciers kunnen hierover goede informatie verschaffen.

Gebruik van middelen

Levenscyclus en resistentie-ontwikkeling
De meeste tripsen hebben een vrij korte levenscyclus die afhankelijk is van temperatuur. Bij 20ᵒC is deze 23-27 dagen, bij > 25°C slechts 6-8 dagen. Hoewel de levenscyclus van de meeste tripsen snel is bij hogere temperaturen, zijn er wel verschillen. Het is dan goed om te weten of spuiten om de 6 of om de 8 dagen nodig is.

Voor een adequate bestrijding is het belangrijk de levenscyclus van de trips die bestreden moeten worden te weten, zodat de levenscyclus doorbroken kan worden. Door de snelle levenscyclus is er een snelle opvolging van generaties en ligt resistentie-ontwikkeling op de loer. Het interval van de bestrijding dient kort genoeg te zijn om de levenscyclus te verbreken. Voor een goede bestrijding is het noodzakelijk om een bespuiting twee keer te herhalen. Na deze herhalingen dient er bij een nieuwe bestrijding een ander middel ingezet te worden, om de kans op resistentie-ontwikkeling tegen te gaan.

Een tweede factor die belangrijk is bij het gebruik van middelen is het fysiek raken van de insecten. Doordat tripsen over het algemeen zeer lichtschuw zijn, verschuilen ze zich in bladoksels en substraat. Voor het goed raken is het noodzakelijk om met veel vloeistof te spuiten en de juiste hoeveelheden te gebruiken in de LVM of Fog.

IRAC-MOA
Resistentie-ontwikkeling tegengaan kan alleen door de plaag op een biologische manier aan te pakken of een chemische bestrijding secuur uit te voeren. Dit houdt in dat de chemische behandelingen dusdanig uitgevoerd worden dat het plaaginsect (in dit geval de trips) goed geraakt wordt. Daarbij moet de timing van de bespuitingen goed worden gematched met de omstandigheden waaronder ze zich ontwikkelen en de gewasbeschermingsmiddelen dienen na twee à drie behandelingen te worden afgewisseld met een product met een heel ander werkingsmechanisme. Er bestaat een wereldwijd platform dat toezicht houdt over de classificatie van chemische actieve stoffen van gewasbeschermingsmiddelen. De actieve stoffen worden geclassificeerd in groepen van verschillende MOA’s (Mode of Action, werkingsmechanisme). Bij iedere verschillend MOA hoort een nummer. Een actieve stof met een ander nummer dan van het middel dat eerder is ingezet, zou als geschikte afwisselpartner ingezet kunnen worden (mits er voldoende werking is op het te bestrijden insect). Deze classificatie is te vinden op de website van IRAC (Insecticide Resistance Action Committee). https://www.irac-online.org/modes-of-action/. Er is ook een app beschikbaar van IRAC MOA.